Oog voor dier en plant
Bij de aanleg van het nieuwe tracé is veel aandacht voor de natuur. Toch is het onvermijdelijk dat de natuur op een aantal plaatsen wordt aangetast. De schade wordt op verschillende manieren gecompenseerd.
“In Nederland streven we er altijd naar om schadelijke effecten voor de natuur zo veel mogelijk te vermijden”, vertelt Marianne Lundahl, ecoloog van Dienst Landelijk Gebied. Ze heeft onderzocht welke negatieve effecten de aanleg van het tracé heeft op de flora en fauna in het gebied. “Als voorkomen niet mogelijk is, gaan we na hoe we de schade kunnen minimaliseren. Bij dit tracé worden bijvoorbeeld faunatunnels aangelegd. Dit zijn ondergrondse oversteekplaatsen voor kleine zoogdieren en amfibieën. Ik verwacht dat onder andere egels, rugstreeppadden en bruine kikkers hier graag gebruik van maken.”
Extra natuurgebied
“Als we niet kunnen voorkomen dat het leefgebied van een dier- of plantensoort wordt vernietigd, dan wordt dit gecompenseerd door ergens anders een nieuw gebied geschikt te maken”, gaat Marianne verder. “Voor dit project komt er nieuw leefgebied bij de westelijke tunnelmond en circa drie hectare tussen de N61 en Sluiskil. De gebieden worden verschillend ingericht, zodat ze geschikt zijn voor diverse dieren en planten. Zo komen op de ene plek weilanden, knotwilgen en houtwallen voor de patrijs en steenuil. Op een andere plek worden juist rijen bomen geplant waar de groene specht van profiteert. Er wordt ook rekening gehouden met zeldzame planten die nu op het tunneltracé groeien, zoals de grote keverorchis en de slanke mantelanjer. Zij krijgen een ander plekje in de omgeving. Verder wordt er langs de Westerscheldetunnelweg ruim twee hectare nieuw natuurgebied aangelegd. Hier komt zilt grasland. Dat is kenmerkende natuur voor Zeeland. Door al deze maatregelen proberen we de schade voor de natuur tot een minimum te beperken.”
Vuursteensplinters uit de steentijd
Een pijl vliegt door de lucht en het everzwijn valt met een plof neer. Jagers met dierenhuiden, die hun lichaam warm houden, rennen er heen en nemen het dier mee naar het basiskamp. Ze lopen door de bosrijke omgeving en plukken wat bessen en wilde appels. In het kamp hebben de vrouwen al een vuur gemaakt om het dier te braden.
Grote kans dat dit tafereel zich duizenden jaren geleden afspeelde in Zeeuws-Vlaanderen. Op de locatie van het nieuwe tracé, ten westen van de Koegorsstraat, zijn namelijk vuursteensplinters gevonden. Het vermoeden bestaat dat in de steentijd jagers hier rusten tijdens de jacht. Vuursteen was in deze periode een belangrijk materiaal. Dit werd gebruikt voor het maken van pijlpunten, messen en werktuigen om dierenhuiden te bewerken.
Unieke vondst
Voor Zeeuws-Vlaanderen is het uniek dat er aanwijzingen uit de steentijd zijn aangetroffen. De vuursteensplinters zijn gevonden tijdens een archeologisch vooronderzoek door het team van
Professor Crombé van de Universiteit van Gent. In Nederland wordt standaard archeologisch onderzoek gedaan, voordat een nieuw tracé wordt aangelegd. De vuursteensplinters lagen vier tot vijf meter onder de grond. Om er achter te komen of er waardevolle vondsten in de bodem liggen, is waarschijnlijk een grootschalig archeologisch onderzoek nodig. Op dit moment wordt bekeken of verder opgraven de moeite waard is.