Boorproces

De Sluiskiltunnel wordt een geboorde tunnel. Voor de aanleg maakt de bouwcombinatie gebruik van een tunnelboormachine. De tunnelboormachine bestaat uit een boorkop en twee volgwagens, die samen ruim 63 meter lang zijn. De machine begint te boren vanuit een vooraf aangelegde (start)schacht.

De boormachine is te vergelijken met een cilinder. Aan de voorkant bevindt zich het snijrad dat de grond laagje voor laagje wegboort. Aan de achterzijde plaatst de machine zelf een deel betonnen tunnelwand. De wand wordt gemaakt met betonnen elementen. Die vormen samen een ring met een diameter van ongeveer 10,5 meter en een lengte van 2 meter. Op de tunnelboormachine zit een beweegbare robotarm. Die pakt de segmenten op van de volgwagen en zet ze op hun plaats in de tunnelwand. Als de tunnelring klaar is, kan de machine zich daartegen afzetten en weer verder met boren. Dit gaat 24 uur per dag door.
Tijdens het boren ontstaat aan de voorkant een muur van grond. Zonder ondersteuning kan dit instorten en loopt de tunnelboormachine vast. Om dit te voorkomen wordt de ruimte tussen en achter de spaken van het graafwiel gevuld met een steunvloeistof: een mengsel van water en bentoniet. Als het mengsel beweegt, is het dun en vloeibaar. Maar in rust verandert het in een soort dikke gel en geeft het tegenwicht om instorten te voorkomen. Achter het graafwiel komt de grond weer in beweging en wordt het vloeibaar. Het wordt dan via buizen weggepompt. In een scheidingsinstallatie wordt de bentoniet gefilterd om nogmaals te gebruiken. Ook de grond wordt gefilterd voor hergebruik binnen het project.